Jaarrede 2014

Toespraak Pieter Sijpersma, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op de Jaardag van het Genootschap in de Raadzaal van het stadhuis van Leiden, vrijdag 9 mei 2010, 14.00 uur.

Vrienden en vriendinnen, collega’s,

Vier jaar geleden nam ik de voorzittershamer over van Arendo Joustra, die meer tien jaar lid van het bestuur is geweest waarvan de laatste vier als voorzitter. We missen hem nog steeds. Hij veroorloofde zich bij zijn afscheid een persoonlijke terugblik. Daar ontleen ik de vrijheid datzelfde te doen.

Als je zo de jaarredes van de laatste voorzitters naleest, dan blijkt dat er eigenlijk altijd hetzelfde patroon in te zitten. Vier elementen keren steevast terug in de beschouwingen.

  1. Incidenten in de actualiteit,
  2. De ontwikkelingen in medialand,
  3. Aandacht voor journalistieke normen en waarden,
  4. Aandacht voor de plaats van de jaardag.

1. Incidenten in de actualiteit

Het afgelopen jaar was er eigenlijk eentje zonder heel grote incidenten in de actualiteit. Het media-incident waar veel over gezegd en geschreven is, was het bericht in NRC-Handelsblad over een pedofiel die zich metterwoon in Leiden had gevestigd. De meest gehoorde opinie was dat de krant dat beter niet had kunnen doen. Gezegd moet worden dat de andere media zakelijk met de berichtgeving is omgegaan; leedvermaak of grote berispingen van de collega's heb ik nergens bespeurd.

Natuurlijk, zou ik bijna zeggen, heeft het NOS Journaal een aantal malen onder vuur gelegen. Ik herhaal de klachten niet, maar laat het bij de constatering dat al die aandacht een bevestiging zijn van de voorname plek die het Journaal in de nationale nieuwsverspreiding en - consumptie speelt. De veelvuldige kritiek heeft vast ook te maken met het publieke karakter van de NOS: nationaal bezit, waar we dus allemaal een mening over mogen hebben en uitspreken. Wat dat betreft heeft RTL Nieuws het iets gemakkelijker, maar dat is dan ook een van de weinige aspecten waarin de commerciëlen het voordeel hebben. Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om Harm Taselaar te feliciteren met de nieuwe vormgeving van de studio. RTL en NOS zitten in hetzelfde schuitje: beiden maken nieuws voor een breed publiek, dat ook nog eens in belangstelling en samenstelling verandert. Dat dwingt tot verandering en verandering roept weerstand op. Het is onmogelijk het iedereen naar de zin te maken.

De Raad van Journalistiek wil de leidraad veranderen. Dat komt het Genootschap verstandig voor. Toch is een waarschuwing hier op haar plaats. De richting die nu gekozen wordt, kan van de Raad een nog tandelozer orgaan maken die hij al enigszins is, een raad van opinie, deswelks uitspraken belangstelling noch weerslag hebben. Voordeel is dat een aantal redacties die de Raad de rug hadden toegekeerd zich bezinnen.

Laatste incident dat ik wil noemen: het bestuur heeft bij de RVD geprotesteerd tegen het persbeleid bij de Nieuwjaarsreceptie van de Koning, dat alle media uitsloot en waarbij de RVD zelf beelden maakte, selecteerde en distribueerde. Naar aanleiding van een brief van het Genootschap heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij geen overeenstemming werd gevonden maar van de RVD-zijde is aangegeven deze aanpak niet te zullen herhalen.

2. De ontwikkelingen in medialand

Het medialandschap dan. Er staan kranten te koop. Nu de NRC, wellicht ook het Financieele Dagblad, en het rommelt bij Wegener en de NDC. Wat er precies gaande is, weet niemand helemaal. Wat we wel zeker weten: de krantenwereld zal er over twee jaar heel anders uit zien. Er komt een grote consolidatieslag, waarna er misschien nog twee conglomeraten overblijven. Dat zal gevolgen hebben voor titels en redacties. In de tijdschriftensector gaat het al niet anders. Geen wonder; de oorzaken zijn identiek: steeds minder inkomsten uit zowel oplage als advertenties. Het wachten is vooral op de besluiten bij marktleider Sanoma.

De eerste bezuinigingsronde van de Publieke Omroepen is gerealiseerd, de tweede ronde komt er nu aan. Richtte het vizier van staatssecretaris Dekker zich in eerste instantie vooral op de landelijke omroepen, nu zijn de regionale omroepen aan de beurt. De aangekondigde bezuiniging is intussen verzacht, maar er blijft een bedrag van 17 miljoen over. Dat zal in sommige provincies ten koste van de programmering gaan. We zien dat intussen naar uitwegen wordt gezocht, zoals in het zuiden des lands, waar kranten en omroepen vormen van samenwerking beproeven. Dat kan tot vernieuwing leiden; laten we optimistisch blijven. De wet staat vervlechting niet toe, wat begrijpelijk is. Als de wet echter vernieuwing en behoud van serieuze regionale journalistiek in de weg staat, is er een mooie taak voor de bewindsman, die we nodig eens te gast moeten hebben bij het Genootschap, weggelegd.

Er is ook vernieuwing. Iedere voorzitter constateert het telkens met vreugde, als was het maar omdat de jaarrede anders een vaste klaagzang zou worden. Er is ook reden voor optimisme, ondanks alles wat ons somber kan stemmen. We leven in een tijd van journalistieke vernieuwing, met alle spanning die daar bij hoort. De Correspondent bijvoorbeeld heeft alle aandacht gekregen, maar kan het initiatief blijven bestaan? Mikt de redactie niet te hoog, op een al te select publiek? Willen zoveel mensen dag in dag uit lange en verdiepende verhalen lezen? Is het ook niet gewoon noodzakelijk dat er iedere dag weer nieuws is?

Nu.nl start een experiment met regionaal nieuws. De NRC, Volkskrant en het FD hebben nieuwe plannen. Nieuw is ook Blendle, een digitale kiosk waar losse stukken te koop zijn, uit zoveel mogelijk titels. Het is Alexander Klöpping en Marten Blankesteijn gelukt wat anderen met veel meer namen in de krantenwereld nooit is gelukt: ze hebben de Nederlandse uitgevers op een lijn gekregen. Tot nu toe gunde men elkaar het licht niet in de ogen, ondanks de zalvende woorden. Nooit is het ervan gekomen om ten behoeve van de nieuwsconsument de krantenarchieven via hetzelfde kanaal toegankelijk te maken. Blendle heeft het voor elkaar gekregen. Dat alleen al verdient het afnemen van de hoed. Intussen melden freelancers zich bij Blendle met de mededeling dat zij apart betaald moeten worden. Laat ik het zo zeggen: geef Blendle eerst even wat tijd om van de grond te komen. Als het echt gaat vliegen, kom dan terug; voor je stukken ben je al betaald, dus je verliest niets; je krijgt er wel een groter publiek door. Dat is ook winst.

Collega's, wij, de hoofdredacteuren van nu, zijn de generatie die de overgang naar een nieuwe tijd leidt. We staan voor vraagstukken als innovatie, marketing, techniek, distributie, vertel- en presentatievormen, interactiviteit, etc. Wat moeten we wel allemaal niet doen? Innoveren, inkomsten generen, op Europees niveau een betere BTW bepleiten - het Genootschap betuigt hulde aan Sjuul Paradijs, die onvermoeibaar kattebelletjes aanbindt - en wat al niet. Je zou er pessimistisch van kunnen worden, al dat werk, nooit meer rust. Niet doen, zou ik zeggen. Wat er ook verandert, er is een grote zekerheid waar we ons aan vast kunnen houden: mensen zullen altijd nieuws willen hebben. Ik houd mij verre van sweeping statements of apodictische conclusies, behalve dan die ene: als wij onze nieuwstaak verwaarlozen, staat ons een droevig lot te wachten, terwijl het omgekeerde ook geldt: zo lang wij nieuws, nieuws en nog eens nieuws brengen, zijn wij verzekerd van een toekomst, al kan die er heel anders uitzien dan het heden.

3. Aandacht voor journalistieke normen en waarden

Moraliteit, ten slotte. In de laatste Villamedia staat en wereldkaart van de persvrijheid. Het is niet best gesteld; het aantal landen met een echt vrije pers is slechts een minderheid. Zelfs in Europa, hebben we geen recht op bronbescherming. Dat betekent dat we nog heel wat te doen hebben. Want de vrijheid die wij in ons deel van de wereld genieten, is geen recht of verworvenheid, en evenmin vanzelfsprekend; ze moet telkens worden herbevestigd of soms zelfs weer worden bevochten of uitgebreid. Die vrijheid is dus een verplichting, die ook anderen buiten onze directe kring geldt. We moeten blijven opkomen voor het vrije woord en het belang van de openbaarheid omwille van een fatsoenlijk menselijk bestaan, waar ook ter wereld.

Intussen doen wij zelf de dingen anders dan we deden, want de tijden veranderen en dus ook wij. De invloed van internet doet zich gelden, wat leidt tot het hanteren van andere normen en waarden. De privacy wordt schaars, bijvoorbeeld. Journalistiek moet persoonlijker worden, vinden sommigen, en meer meningen hebben. Ik zelf zie dat als een overdrijving. Door de toename aan media en de overvloed aan nieuws en informatie groeit de behoefte aan herkenbaarheid en profilering. Dat is maar een oplossing. Ten langen leste blijft het echter in de journalistiek gaan om  feiten en betrouwbaarheid. Dat is wat mensen van ons in de allereerste plaats verwachten: dat het klopt wat we zeggen, dat we onderzoek hebben gedaan, dat we daarbij onbevangen te werk zijn gegaan. Dat we in onze pure berichtgeving feit en mening scheiden. Meningen, opinies, columns, essays: het is allemaal veel gemakkelijker dan feiten vaststellen, bronnen zoeken, de deugdelijkheid van die bronnen toetsen. Daarvoor moet je achter je bureau vandaan komen.

Door de verkleining van de redacties wordt dat steeds lastiger; het gevaar van haastwerk is dan reëel. En pas op, tegenwoordig dient zich ook de bronnenjournalistiek aan: afzenders die hun eigen nieuws maken en dat zonder bemoeienis van journalisten de wereld inzenden, waar het dankzij de overvloed aan aanbieders die allemaal een plaatsje onder de zon ambiëren voor echt nieuws doorgaat: ongetoetst, partijdig, met een vooropgezette bedoeling.

Hoe zit het met onze journalistieke waarden, met al dat haastwerk, die invloed van internet, van de concurrentie; hoe zit het met onze andere professionele normen? In een brief van de Raad voor de Journalistiek wordt ons als Genootschap gevraagd naar onze opvattingen over privacy, het portretrecht en de berichtgeving omtrent het koninklijk huis. Hebben we nog richtlijnen nodig? Het Genootschap wil haar eigen code herzien. Het is een taak van het bestuur van het Genootschap om hiervoor een voorstel te doen, maar dat kan niet dan nadat wij er met elkaar diepgaand over gesproken hebben. Dat kan niet anders; het Genootschap bestaat uit allerlei verschillende gebekte vogels. Het enige wat ons als leden bindt in dit land dat God zij dank geen gelijkschakelde pers heeft, is de professionele journalistiek. Binnenkort zal het nieuwe bestuur het debat over deze onderwerpen openen, waarbij we de brief van de RvdJ gebruiken als opmaat.

Ik zei: de professionele journalistiek. Er dient zich echter een nieuw genootschap van hoofdredacteuren aan, die van de publiekstijdschriften, die niet allen de pretentie voeren professionele journalistiek te bedrijven. Desondanks is de vraag, mede met het oog op een gestaag slinkende ledental, of we er verstandig aan doen twee genootschappen naast elkaar te hebben. Misschien moeten we ons genootschap toch maar uitbreiden. Ook daar moeten we het met elkaar over hebben. Onder leiding van het nieuwe bestuur.

Collega's,

Na vier jaar treed ik terug in de rangen van de gewone leden van het Genootschap. Het was mij een eer u allen te dienen, waarmee u meteen mijn taakopvatting, zij het post mortem, kent. Ik dank mijn medebestuursleden, met wie ik heb mogen samenwerken en met wie ik veel plezier heb beleefd. En ik wens het bestuur en met name mijn opvolger Marcel Gelauff, die ik bij deze de voorzittershamer, die ik bij het terugvinden in een la niet meteen herkende, overhandig, veel succes wens en bij u allen van harte aanbeveel. Dank u wel.